‘Hebben jullie dan geen stemmetje? Dat heeft toch iedereen? Het is niet vervelend ofzo hoor, het helpt me soms ook, dan vraag ik of ik iets moet doen of niet, maar het is wel lastig dat ik soms heel veel heen en weer denk –ja, twijfel bedoel ik, dat die stemmetjes dan steeds weer wat anders zeggen, daar heb ik wel last van ja. Maar hebben jullie dat dan niet, ben ik gek haha?’
Hij lacht weer, maar in zijn ogen zie ik de paniek onder de vraag. Hij kijkt naar mijn collega, praat liever die kant op, zijn stemmetje vind me eng denk ik. En terecht, want ik zie hem. Ik zie ik zie wat jij niet ziet, dat je verdomme drie jaar non stop moet gaan huilen.
Hij is dertig jaar en een jaartje geleden gestopt met alle drugs. Het is elke dag weer een vraag waar hij slaapt, vanavond weet hij het nog niet. Soms een kennis, soms een portiek. Zijn wangen blozen, zijn buikje is net te rond voor de rest van zijn postuur en hij lacht veel, maakt grapjes. Zal zijn zwaarte niet bij ons neerleggen want heeft geleerd dat er niemand anders is die hem draagt. Maar zijn ogen verraden alles. Over de kleur ligt een sluier die ze ondoorzichtig maakt en me sterk de indruk geven dat hij niet scherp kan zien. De afgelopen 14 jaar herinnert hij zich als een waas.
Terwijl hij steun zoekt bij mijn collega voel ik hoe ergens in mijn lichaam iets aangeraakt wordt en zich door mijn keel en wangen een weg naar boven baant. Bij mijn ogen begroet ik ze, de tranen, maar vraag ik ze te blijven waar ze zijn. Vol gevoel laat ik hem zichzelf dragen, zo doet hij dat immers al jaren. Zo doen we dat immers al jaren.
Als hij weg is moet ik twee keer roepen hoe schattig hij is alvorens de zin uit te spreken die me de rest van de dag bijblijft. ‘Hij heeft zo ontzettend een móeder nodig.’
Mijn collega knikt langzaam en blijft me aankijken. Ik knik. En we weten allebei dat ik het weet. En het is goed. Als je het maar weet.
Geef een reactie
Reageren?
RSS met reacties TrackBack identificatie URI

